Ernstige ongewenste voorvallen

Als zich een zogeheten ernstig ongewenst voorval voordoet bij een proefpersoon die deelneemt aan een medisch-wetenschappelijk onderzoek, dient dit geregistreerd en vaak ook gemeld te worden. Dit jaar rapporteert de CCMO voor de vijfde keer het aantal ernstige ongewenste voorvallen dat in het voorafgaande kalenderjaar (2020) is gemeld conform de eisen van de WMO en het daarvoor ontwikkelde toetsingskader. De Engelse term voor ernstige ongewenste voorvallen is serious adverse events, afgekort tot SAE’s.

Wat is een ernstig ongewenst voorval?

Er is sprake van een ernstig ongewenst voorval wanneer bij een deelnemer aan een wetenschappelijk onderzoek een aangeboren afwijking of misvorming optreedt, blijvende of significante invaliditeit of arbeidsongeschiktheid ontstaat, opname in een ziekenhuis of verlenging van de opname noodzakelijk is, er een levensgevaarlijke situatie optreedt of de proefpersoon overlijdt. Een voorval dat zich zou hebben kunnen ontwikkelen tot een ernstig ongewenst voorval, maar dat zich als gevolg van ingrijpen niet heeft verwezenlijkt, moet ook als ernstig ongewenst voorval worden gemeld.

Het is hierbij belangrijk om te weten dat het voorval geen verband hoeft te houden met het onderzoek. Als een studiedeelnemer slachtoffer wordt van een auto-ongeluk, wordt dit ook als een ernstig ongewenst voorval geteld. De reden hiervoor is een zo breed mogelijk vangnet te hebben, zodat ook onvermoede verbanden worden gezien. Stel dat er in het geval van het voorbeeld veel auto-ongelukken optreden bij een bepaald middel, dan zou het kunnen dat het middel onverwacht slaperigheid veroorzaakt.

Registratie ernstige ongewenste voorvallen

Het rapporteren van alle ernstige ongewenste voorvallen is dus bedoeld als breed vangnet om zo goed mogelijk vinger aan de pols te houden tijdens het onderzoek. Het effect hiervan is wel dat er heel veel meldingen zijn, waarvan veruit de meeste niets met de behandeling te maken hebben. Naast het genoemde voorbeeld gaat het veel vaker om gebeurtenissen die zijn gerelateerd aan de onderliggende ziekte of aan een medische procedure. Te denken valt bijvoorbeeld aan een verlengde ziekenhuisopname vanwege een geïnfecteerd infuus of sterfte in een onderzoek met terminaal zieke patiënten. Ernstige ongewenste voorvallen die wel een verband hebben met de onderzochte behandeling, worden serious adverse reactions genoemd (ernstige bijwerkingen).

Omdat vaak niet onmiddellijk duidelijk is of een ernstige gebeurtenis ook wordt veroorzaakt door de onderzochte behandeling, moeten alle ernstige ongewenste voorvallen worden geregistreerd door de uitvoerder/verrichter en vervolgens gemeld bij de oordelende commissie (METC of CCMO). In het onderzoeksprotocol kunnen specifieke uitzonderingen worden gemaakt, bijvoorbeeld voor een bepaalde medische gebeurtenis die op voorhand verwacht kan worden, zoals een ziekenhuisopname die al gepland was vóór deelname aan het onderzoek, of die deel uitmaakt van het onderzoek. Deze uitzonderingen moeten van tevoren door de oordelende commissie worden goedgekeurd. Alle andere meldingen van ernstige ongewenste voorvallen worden bekeken door de oordelende commissie, die vervolgens bepaalt of het onderzoek door kan gaan of dat het onderzoek opgeschort of beëindigd moet worden.

Ernstige ongewenste voorvallen in 2020

In 2020 zijn 6.950 ernstige ongewenste voorvallen gemeld. Het betreft voorvallen tijdens onderzoek dat geheel of gedeeltelijk in Nederland plaatsvond, inclusief meldingen bij buitenlandse proefpersonen. Het is niet bekend hoeveel van deze voorvallen betrekking hadden op Nederlandse proefpersonen. Het overgrote deel van de meldingen had geen gevolgen voor de veiligheid van de proefpersonen of de voortgang van het onderzoek.

Slechts twee van de meldingen vormden aanleiding om na te gaan of het voorval mogelijk gevolgen had voor de deelnemers aan het onderzoek. Deze meldingen waren voorgevallen in twee studies.

Eén studie is voortijdig beëindigd. Het betreft een onderzoek naar de optimale maat van de oplosbare stent als er aanvullend beeldonderzoek plaatsvindt om de risico’s op restenose of thrombusvorming te verkleinen. De onderzoekspopulatie bestond uit patiënten waarbij een dotterbehandeling gepland was in het kader van hun behandeling. Bij één patiënt ontstond restenose op de plek van de aangebrachte stent. Dit werd bij nog twee patiënten waargenomen. Het onderzoek had te maken met een zeer trage inclusie. Door de COVID-pandemie ontstond nog meer vertraging. Dit alles heeft geleid tot het voortijdig beëindigen van het onderzoek. Vanwege de lage aantallen geïncludeerde patiënten was het niet mogelijk om een uitspraak te doen over de oorzaak van de restenose of de relatie met de gebruikte stent.

In de andere studie wordt bij gezonde vrijwilligers onderzocht of immunisatie met de NF135-stam van malariaparasieten een grotere mate van bescherming induceert tegen heterologe malariastammen dan immunisatie met de N54-stam. Na de laatste immunisatie worden de deelnemers blootgesteld aan een malaria challenge. Eén proefpersoon kreeg na de eerste immunisatie pijn op de borst. Deze persoon is opgenomen in het ziekenhuis. Het onderzoek werd tijdelijk opgeschort. De toetsingscommissie kon uiteindelijk akkoord gaan met de herstart van het onderzoek nadat het protocol was aangepast. De proefpersoon is hersteld zonder aanwijzingen voor blijvende schade aan het hart.