Voor onderzoek dat onder de reikwijdte van de WMO valt, moeten in beginsel twee verzekeringen zijn afgesloten (art 7 lid 6 WMO).

WMO-proefpersonenverzekering

Een bewijs van de WMO-proefpersonenverzekering (zie standaardonderzoeksdossier, deel G1) moet aan de oordelende commissie worden voorgelegd. De opdrachtgever van het onderzoek ziet erop toe dat voor het onderzoek een verzekering wordt afgesloten waarmee de eventuele schade van de proefpersoon is gedekt. Dit is de zogenaamde directe schadeverzekering of WMO-proefpersonenverzekering.

Onder bepaalde voorwaarden is ontheffing van deze verzekering mogelijk. Als de oordelende commissie van mening is dat aan het wetenschappelijk onderzoek voor de proefpersoon naar zijn aard geen risico’s zijn verbonden, kan zij de verrichter op diens verzoek ontheffing verlenen (artikel 7 lid 5 WMO). Ook is ontheffing mogelijk bij vergelijkend onderzoek van twee reguliere behandelmethoden indien aan het onderzoek ten gevolge van het vergelijkende karakter daarvan hooguit verwaarloosbare risico’s zijn verbonden (zie artikel 7 lid 6 WMO). Overigens geldt dat bij ontheffing van de verzekeringsplicht de aansprakelijkheidsdekking nog steeds moet zijn geregeld.

Als het onderzoek wordt verricht door een door de minister aangewezen instelling, dienst of bedrijf van de Rijksoverheid - zoals die ressorterend onder het ministerie van VWS of Defensie - is geen WMO-proefpersonenverzekering nodig (artikel 7 lid 10 WMO).

Aansprakelijkheidsverzekering

In beginsel moet een aansprakelijkheidsverzekering zijn afgesloten (zie standaardonderzoeksdossier, deel G2 en artikel 7 lid 9 WMO). Als het onderzoek wordt verricht door een door de minister aangewezen instelling, dienst of bedrijf van de Rijksoverheid - zoals die ressorterend onder het ministerie van VWS of Defensie - is geen aansprakelijkheidsverzekering nodig (artikel 7 lid 10 WMO).