Er zijn veel verschillende soorten onderzoek waarvoor proefpersonen nodig zijn. Van de werking van medicijnen tot de ontwikkeling van baby’s. Ook is er onderzoek naar bijvoorbeeld het effect van fysiotherapie. Naar de invloed van bepaald eten of drinken. Of naar de genetische aanleg voor bepaalde ziekten.

Veel onderzoek gebeurt in ziekenhuizen, maar het kan ook daarbuiten. Bijvoorbeeld bij de huisarts, het consultatiebureau, in het verpleeghuis, aan een universiteit of bij een onderzoeksinstelling. Onderzoekers zoeken meestal proefpersonen via zorginstellingen, artsen, websites, met advertenties of met folders.

Lichamelijk onderzoek

In veel onderzoek worden vooral gegevens verzameld. Bijvoorbeeld over uw lichaamstemperatuur, uw bloed of hoe u zich voelt. Behandelen is dan niet het doel. De onderzoeker vraagt wel uw medewerking. Bijvoorbeeld voor lichamelijk onderzoek, een test of meting. Soms moet u zelf notities bijhouden of een vragenlijst invullen.

Nieuwe behandeling

In ander onderzoek wordt een nieuwe behandeling, operatie, medicijn of voedingsmiddel getest. Meestal vergelijkt de onderzoeker een nieuwe behandeling met een bestaande. Loting bepaalt dan wie welke behandeling krijgt. Dit heet randomisatie. Het hangt van toeval af in welke groep u terechtkomt. Vaak weet de onderzoeker zelf ook niet in welke groep u zit. Dat onderzoek heet dan dubbelblind: proefpersoon en onderzoeker weten dan allebei niet in welke groep de proefpersoon zit.

Placebo

Soms vergelijkt de onderzoeker een nieuwe behandeling met een nepbehandeling. Zo’n nepbehandeling heet een placebo. De placebo lijkt op de nieuwe behandeling. Tijdens het onderzoekt krijgt de ene groep proefpersonen de nieuwe behandeling en de andere groep de placebo.

Geneesmiddelenonderzoek

Een deel van het onderzoek met proefpersonen is onderzoek met geneesmiddelen.
Geneesmiddelenonderzoek bij mensen wordt vaak ingedeeld in vier fasen:

Fase 1: Is het middel veilig?
De onderzoekers kijken hoe proefpersonen (meestal gezonde vrijwilligers) het middel verdragen.

Fase 2: Werkt het middel?`
Als het middel veilig genoeg is, kijken de onderzoekers of het middel bij een klein aantal zieke mensen ook echt werkt.

Fase 3: Werkt het middel beter dan bestaande middelen?
Zijn de resultaten van fase 2 goed, dan vragen de onderzoekers meer patiënten om mee te doen. Ze vergelijken het nieuwe middel dan vaak met een bestaande behandeling. Is het resultaat goed? Dan volgt na deze fase vaak registratie van het middel als officieel geneesmiddel. Artsen mogen het dan voorschrijven.

Fase 4: Wat zijn de effecten op lange termijn?
Ook geneesmiddelen die de artsen al voorschrijven, worden nog onderzocht. Meestal gaat het dan om bijwerkingen op de lange termijn. Soms wordt onderzocht of een middel ook helpt tegen andere ziektes.

Gezonde vrijwilligers doen meestal mee aan onderzoek in fase 1. Daarin kijkt de onderzoeker hoe het middel wordt verdragen. Soms kun je als patiënt meedoen aan fase 2, 3 of 4 van een geneesmiddelenonderzoek. Mensen met kanker kunnen soms meedoen aan onderzoek in fase 1. Onderzoek in fase 1 en 2 levert de patiënt meestal geen verbetering op.