Op 27 september 2013 is de gewijzigde Embryowet in werking getreden. Er is niet voorzien in een overgangsregime. De wijziging betekent onder meer dat erkende METC’s:

  • geen donaties van geslachtscellen meer hoeven te toetsen die zijn afgestaan voor zwangerschap. De erkende METC’s behouden alleen een taak als de geslachtscellen ter beschikking worden gesteld voor wetenschappelijk onderzoek. Op dit onderdeel is de Embryowet niet gewijzigd. Hiermee houdt de METC dus de taak om te beoordelen of het met de terbeschikkingstelling te dienen belang in verhouding staat tot de risico’s en bezwaren van de ingreep, mede gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert. Overigens gaat het daarbij om onderzoek waarvan het protocol al een positief oordeel van de CCMO heeft gekregen, anders mogen proefpersonen überhaupt niet worden benaderd. Met de toetsing door de METC is beoogd extra bescherming te bieden aan de betreffende donor.
  • niet-invasief observationeel onderzoek bij de foetus mogen beoordelen. Volgens de gewijzigde Embryowet is, onder voorwaarden, ook niet-therapeutisch onderzoek met de foetus toegestaan. Voor de beoordeling van onderzoek met foetussen is permanente uitbreiding van de erkende METC’s met een deskundige op het gebied van de embryologie niet noodzakelijk. Als erkende METC’s wetenschappelijk onderzoek bij de foetus beoordelen, moeten zij wel in of op basis van hun reglement hebben geregeld dat zij de noodzakelijke deskundigheid in huis hebben. Als een arts/gynaecoloog of een embryoloog deel uitmaakt van een erkende METC, is hiermee de vereiste deskundigheid in ieder geval beschikbaar. Is dit niet het geval, dan is het ook mogelijk om ad hoc een externe deskundige/adviseur op dit gebied in te schakelen.